Emmerald Tablet 2: De Hallen van Amenti

Diep in het hart van de aarde liggen de Hallen van Amenti, ver onder de eilanden van het gezonken Atlantis. Dit zijn de Hallen van de Dood en de Hallen van het Leven, badend in het vuur van de Oneindige Alles-bron.

Lang geleden, in vervlogen tijden, keken de Kinderen van het Licht neer op de wereld. Zij zagen de mensenkinderen in hun slavernij, gebonden door de kracht die van gene zijde komt. Zij wisten dat de mens alleen door vrijheid van slavernij ooit van de Aarde naar de Zon kon stijgen.

Zij daalden af en schiepen lichamen, die uiterlijk leken op die van de mensen. De Meesters van alles zeiden na hun vorming:
“Wij zijn zij die gevormd zijn uit het ruimtestof, deelachtig aan het leven uit de Oneindige Alles-bron; levend in de wereld als mensenkinderen, maar toch anders dan de mensenkinderen.”

Vervolgens boorden zij, diep onder de aardkorst, een grote ruimte uit als woonplaats voor hun lichamen. Zij omringden deze met krachten en muren om de Hallen van de Dood te beschermen tegen de levenden.

Daar, in de Hallen van Amenti, bouwden zij andere ruimtes, gevuld met Leven en met Licht van boven. Zij plaatsten daar de Zetels van de Zeven, de Heren van Amenti, die de mensheid helpen door de cycli van de tijd.

Daar zetelen de Meesters:

De Meester van de Drie (3)

De Meester van de Vier (4)

De Meester van de Vijf (5)

De Meester van de Zes (6)

De Meester van de Zeven (7)

De Meester van de Acht (8)

De Meester van de Negen (9)

Zij leiden de paden van de mensheid en waken over de gevangenschap van de zielen die nog in het duister dwalen.

Wanneer Thoth (de schrijver) de tijd voelt naderen dat zijn lichaam moet rusten, daalt hij af naar deze Hallen. Daar staat de Bloem van het Leven, het symbool van de kracht die eeuwig brandt. Hij plaatst zichzelf voor deze vlam en vernieuwt zijn voertuig, zodat hij door de eeuwen heen kan blijven dienen zonder door de dood te worden vastgehouden.